vrijdag 30 april 2021

Goedemorgen

Ik begin vandaag
Niet morgen, nee
Met zijn wie ik ben
Wie ik altijd al wilde worden
Wie ik was doet niet ter zake
Gisteren is geweest
Ik kijk niet achterom
Ik heb geen spijt
Niets goed te maken
Zo ben ik niet
Ooit geweest
Wie weet
Wie weet het nog?
Ik begin vandaag
Punt

vrijdag 2 april 2021

Verhaal van een vluchteling

'Hij lachte, dacht ik
Ja, ik weet bijna zeker dat hij lachte toen' 

Ik moet me alles kunnen herinneren
Mijn verhaal moet steeds hetzelfde zijn
Het moet kloppen
Anders geloven ze me niet

Dus schrijf ik alles op
Na ieder gesprek
In een schriftje

's Nachts word ik zwetend wakker
Omdat ik denk dat ik iets vergeten ben
Misschien
Ik twijfel aan mijn eigen geheugen
Dat scherp is, maar niet feilloos
Herinneringen zijn selectief
Maar de mijne mogen dat niet zijn

De tweede keer moet mijn verhaal
hetzelfde zijn als de eerste keer
Het moet kloppen
Ze blijven het me inwrijven

Dus schrijf ik alles op
Na ieder gesprek
In een schriftje

Ik moet me alles kunnen herinneren
Ik moet alles onthouden
Terwijl ik juist zo graag zou vergeten
Een beetje
Een klein beetje toch

maandag 22 maart 2021

Pittig

Hij had zijn best gedaan en dus zou zij het opeten.
    Terwijl de ziltige geur haar neus binnendrong, sprak Els zichzelf bemoedigend toe. De vis lag haar roerloos aan te staren vanaf haar bord. Een uitgehard stuk vel met kop en staart, de bek wijd opengesperd. Ze keek ernaar, het vel glansde opvallend mooi, dat wel. Maar daarmee was meteen alles gezegd. Verder leek het op een vacuüm getrokken plastic zak die het skelet van kraakbeen en graten bij elkaar hield als een onverwoestbare waterdichte jas.
    ‘Saus erbij?’ vroeg hij. De emaillen, geel geglazuurde pollepel bungelde al druppend boven haar bord.
    ‘Ja lekker,’ zei ze zonder twijfel in haar stem. Wat kon haar nu nog gebeuren? De saus zou haar helpen deze vis meester te maken en tegelijkertijd nog een geanimeerd gesprek te voeren ook. Ze had geen idee van de hoeveelheid rode pepers die haar zo dadelijk zou verrassen.
    Hij zette muziek op. Te luid, maar daar zei ze niets van. Het was zijn huis. Percussie, zwierige ritmes en een aangename zangstem vulden de ruimte.
    ‘Soedanese muziek,’ zei hij, ‘eigenlijk moeten wij dansen.’
    Els stamelde dat het jammer zou zijn als het eten koud werd en dus ging hij zitten en begon meteen te eten.
    ‘In Soedan wij praten niet tijdens het eten, hier is anders,’ zei hij met volle mond. Hij keek haar aan, net zolang tot Els op keek en zag hoe het been tussen zijn kiezen vermalen werd.
    Zelf was ze nog bezig met de verwerking van haar eerste hap. Ze probeerde te slikken, maar haar amandelen waren opgezwollen door de scherpte van de saus. Ze duwde haar tong stevig tegen haar gehemelte om de slikbeweging te stimuleren. Vers aangemaakt speeksel vermengde zich met het slijk in haar mond. Alles stond in vuur en vlam nu, haar gezicht werd roder. Camoufleren ging al bijna niet meer.

Toen ze haar ogen weer open deed, hingen er vijf bezorgde donkere gezichten boven haar hoofd. Een met een stethoscoop rond zijn nek. Ze krabbelde overeind. Tevreden constateerde ze dat de maaltijd verorberd was.
    'Ik ga maar eens op huis aan,' zei ze. 'Volgende keer bij mij?'

woensdag 3 maart 2021

Wat een feest zal het zijn!

Wat een feest zal het zijn, als wij straks dood zijn.

Hij is vijf en heeft grootse plannen.
'Dan ga ik voortaan altijd bubbels blazen, mama. In mijn drinken, met mijn rietje.'
'Dan eet ik iedere dag wel tien boterhammen met zoet.'
'Dan ga ik steeds lekker laat naar bed.'
'En ik neem speelgoed mee onder de deken.'
Dromerig kijkt hij naar boven met zijn hoofd tussen zijn knuistjes. Het verlangen sijpelt van zijn kleine gezichtje af.
 
Zijn zus van zeven zit erbij en is niet verbaasd, noch verontwaardigd. Ook zij heeft zo haar draaiboek.
Ze heeft zich gerealiseerd dat zij het huis erft.
'Dan ga ik hier wonen samen met Rosa en hebben we het hele huis voor onszelf alleen,' zegt ze opgetogen.
Haar broertje heeft net beloofd bij Fedde te gaan logeren als wij dood zijn, dus daar hoeft ze verder geen rekening meer mee te houden. 'Hij mag dan wel de tablet mee,' zegt ze vrijgevig. 
Van de bloembak maakt ze liever een zwembad en vanuit haar slaapkamerraam een glijbaan naar beneden.

Wat een feest zal het zijn!

vrijdag 26 februari 2021

Beproeving

Het bestelbusje glibberde rond half 11 's ochtends mijn straat in over de aangevroren hompen sneeuw. De postmeneer stapte uit, viel op zijn stuitje, mompelde iets onaardigs en stond weer op. Met rode neus zocht hij mijn pakket en liep richting voordeur. Ik liet hem aanbellen, deed open alsof ik het hele schouwspel gemist had en nam het pakket gretig in ontvangst. Omdat ik niks besteld had, informeerde ik van wie het pakket kwam. Dat wist de postmeneer me niet te vertellen. Hij keek me aan alsof ik hem dood wilde: "Ak dah d'r ook nog ammel bij moes doen mevrouw, dan kennuh ze beter iemand vroagen met HBO-niveau, denk ik." Hij draaide zich om terwijl ik beschaamd op de drempel bleef staan.

Vijf dagen staat het pakket nu in mijn huiskamer. 
Een grote doos. Wit. Zonder logo, zonder tekst en zonder afzender. 
Alleen mijn naam en adres. Drukwerk, niets handgeschreven.

Als ik ermee rammel, hoor ik de spullen die erin zitten tegen elkaar botsen. Het geeft een grappig geluid. Ik schud er nu al een paar dagen mee, maar ben er nog niet uit wat het kan zijn. Het klinkt als een playmobilset voor volwassenen: klein kantoortje met PC, koffiemokje erbij, vluchtelingpoppetje? Of misschien een tafereeltje wintersport zonder kinderen, met glühwein en een goed boek? Het pakket lijkt me alleen wat zwaar voor die inhoud. 

Ik weeg mijn pakje, ruim 8 kilo. Een bouwpakket dan? Met een minisauna, voor alleen mijn koude voeten? Of een miniatuur robot die het huis in 1 minuut kan stofzuigen?

Mijn verbeelding maakt overuren. 

Ik zou dit pakje nooit uit willen pakken. Het mee naar bed willen nemen om te kijken of het licht geeft 's nachts. Of zou het gaan stinken na een tijdje? Ik ruik, voorlopig niks aan de hand. 

Al dagen aaneen geniet ik van het fijne gevoel van het niet-weten. Tot het moment dat de bel gaat en diezelfde postmeneer voor mijn neus staat. Het weer is opgeklaard en de neus heeft zijn normale kleur terug.
    'Ik kom dah pakje halen,' zegt hij.
    'Het pakje?' stamel ik.
    'Joa, ik heb toch een pakje gebrach hier loatst?'
    'Had ik dat open moeten maken dan?' vraag ik enigszins paniekerig.
    'Wit ik veul, maar nu ist te loat, of nie dan?'
    'Is dat zo?' probeer ik nog.
    'Da denk ja.'
Ik strompel naar de huiskamer, waar mijn pakket als een trofee in het zonnetje staat te pronken. Ik geef er zacht een kus op en loop ermee naar de postmeneer.
    'Dankuwel,' zeg ik.
    Hij steekt zijn grote hand in de lucht, 'houdoe!' 
 
Hij keert zijn bus op mijn oprit en rijdt weg. Ik weet niet of ik teleurgesteld of blij moet zijn. Verdrietig omdat ik mezelf mogelijk warme voeten door de neus heb geboord of tevreden omdat er een leven lang fantaseren in het verschiet ligt.

dinsdag 23 februari 2021

Met liefdesverdriet in de kast

Ooit was ik je lieveling
Ooit droeg jij mij vaak en veel en met gepaste trots
Je kreeg complimenten over mij
En droeg mij nog vaker
Je keek in de spiegel naar mij
En gaf me je goedkeuring
Je droeg mij naar je meest bijzondere gelegenheden
En liet me je sieren 

Nu hang ik daar maar en
Vraag me af waar het mis ging?
Wat er veranderd is?
Wat ik verkeerd heb gedaan?
Het is jaren geleden
Dat ik je huid heb gevoeld
Je aandacht kon trekken
Me begeerd voelde door jou

Ik mis je
Maar
Mis jij mij ook?

dinsdag 9 februari 2021

Stapelgedicht

De verliefde zebra
Kijkt kunst
Voor een echt succesvol leven



zondag 31 januari 2021

Dankbaarheidsbrief

Lieve Corona,

Het is mooi geweest. Vind je ook niet?
Zullen we afspreken dat als de lente komt jij de deur achter je dicht trekt?
En beloof je me niet meer terug te komen?
Ook niet vermomd in een andere gedaante?
Geen krans in plaats van kroon?
Geen grijpgrage tentakels in plaats van uitsteeksels met grappige balletjes erop?
We weten hoe creatief je bent
Je bent gezien, echt waar
Je hebt voldoende gepiekt
Je hebt geschiedenis geschreven 
We zullen je niet snel vergeten
Vrees niet
En hoe graag je ook in het middelpunt van de belangstelling staat
Het is mooi geweest.

We hebben van je geleerd. Daar ben ik je dankbaar voor.
Je hebt ons een les in bescheidenheid gegeven
Waardeer het kleine en
Eer wat ge hebt 
Waande ik me krap een jaar geleden nog knap onaantastbaar
Nu weet ik beter
Zo kwetsbaar zijn we dus
Onze verbondenheid is onze zwakste plek
Maar ook onze redding
Kijk hoe wendbaar we zijn
Hoe veerkrachtig
Kijk hoe we grote beslissingen durven nemen
Hoe we durven veranderen als het moet
Hoe dichtbij we kunnen zijn op afstand
Ik zal je wijsheid koesteren.

De krokusjes prikken bijkans met hun kopjes door de aarde
Is het dan nu bijna lente?

Dag corona, vaarwel!

Winterse groet,
Ozzemaaj

dinsdag 26 januari 2021

en wat er gebeurde ná de openingsscène

De bel gaat. Ik twijfel even maar maak toch open.
    ‘Bent u familie van de mevrouw die hier woont?’
    ‘Ja,’ zeg ik. ‘En u bent?’
    ‘Ze is overleden.’
    ‘Dat weet ik, ik ben haar zoon.’
    ‘Het was een vraag, u onderbrak me.’
    Aan lef ontbreekt het deze dame in ieder geval niet, aan emotionele voelsprieten des te meer. ‘Was dat het?’ probeer ik. 
    ‘Nee,’ zegt ze dan. ‘Mag ik binnenkomen?’
    ‘Ik heb net mijn moeder begraven.’
    ‘Ik wil u iets laten zien.’
    Ik kijk achter haar langs. Verwacht daar aanwijzingen voor een misplaatste verborgen camera actie, maar zie niets. Ik zucht en laat haar tegen mijn wil in binnen.
    ‘Achterin de gang links,’ mompel ik.
    In de woonkamer blijft ze stilstaan. Ze kijkt naar de stoel die nog altijd verlicht wordt door die ene zonnestraal. Alsof er een spotje op staat.
    ‘Dit is 'm dus,’ zegt ze fluisterend.
    ‘Kunt u me vertellen waarvoor u bent gekomen?’
    Ze keert zich naar me toe. ‘Deze stoel…’
    ‘Hij is niet te koop,’ zeg ik bits.
    ‘Welnee!’ Ze kijkt me geschrokken aan. ‘Het is een relikwie.’
    ‘Mevrouw, ik weet niet wat u precies wilt, maar misschien kunt u beter een andere dag…’
    ‘Mag ik er even op zitten, heel even maar.’ Ze kijkt me smekend aan en ik zeg niks. Ze knikt voorzichtig, vragend. Ik knik niet terug, ik geef geen toestemming. Toch draait ze zich om, loopt naar de stoel en gaat zitten. Ze neemt haar tijd en ik sta erbij en kijk ernaar. Zwijgend.
    Na een tijdje staat ze op, loopt langs me heen de gang in. Bij de deur staat ze nog even stil. Zonder zich om te draaien zegt ze: ‘de foto’s die je vanmiddag kreeg en die je zojuist bekeken hebt, die heb ik gemaakt.’

vrijdag 15 januari 2021

Openingsscène

In 1956 stierf mijn vader, een dag later mijn tweelingbroer. Ze werden op dezelfde dag begraven in hetzelfde graf. Toen mijn moeder en ik die middag thuis kwamen, ging ze op de stoel zitten bij het raam. Haar handen gevouwen. Ik heb de met kapok gevulde sprei over haar benen gelegd, een kopje thee voor haar gemaakt en op het tafeltje naast haar gezet. Zij liet hem daar onaangeroerd staan. Zestien jaar is ze die stoel niet uitgekomen. Dat kan niet zo geweest zijn, maar een andere herinnering aan haar heb ik niet.
    En nu is de stoel leeg. Ik sta in de huiskamer en zie hoe het zonlicht precies op het kleine kussentje valt. Ik ga er op zitten met mijn jas nog aan. Houd het plastic tasje dat ik aan het einde van de dienst in mijn handen gedrukt kreeg op schoot, als een kat. Ik kijk uit datzelfde raam waar zij al die jaren door naar buiten staarde. Ik zie een verwilderde tuin met een treurwilg. Van de ooit zo mooie bloemperken is niets meer over. Ik heb me altijd afgevraagd of ze nog ergens naar keek al die jaren, of ze überhaupt nog iets zag?
    Ik spoor mezelf aan om op te staan, het plastic tasje tegen de borst gedrukt. Ik strompel als een oude man naar de keuken, vul de fluitketel met water en zoek naar lucifers. Als ik ze na tien minuten nog altijd niet gevonden heb, sla ik iets te hard het deurtje van het hoekkastje dicht en springt het rechter ruitje. De stukken glas geven een snerpend geluid op de tegelvloer. De scherven laat ik liggen. In plaats van thee, besluit ik een glas port in te schenken. Ik loop terug naar de huiskamer en maak dan het tasje open. Mijn adem stokt, een eenzame traan rolt over mijn gezicht.