dinsdag 15 juni 2021

Kort verhaal (voor wie zin heeft in iets langers)

Al drieëndertig minuten heb ik niks gezegd. Ik heb het geprobeerd, maar de zinnen willen zich niet vormen in mijn hoofd. Hoe leg je iets uit wat je zelf niet eens begrijpt? Kate, mijn enige vriendin, zit al die tijd al met een arm om me heen. Soms wrijft ze even over mijn rug en moedigt ze me zacht aan: ‘Zeg het maar Janne, wat het ook is.’ Mijn ogen voelen opgezet en schraal aan, in mijn keel heeft zich een cactus genesteld.
    Voorzichtig kijk ik vanuit mijn ooghoeken naar Kate, zo zelfzeker als ze daar naast me zit. Vastbesloten om er voor mij te zijn, geen zweem van ongemak. Ik ben het tegenovergestelde van Kate. Als ik haar zie lachen, besef ik hoe lelijk ik ben. Ik benijd haar, haar flair, haar schoonheid, haar natuurlijke vlotheid, zoals ze teder de natte haren uit mijn gezicht veegt.
    ‘Mijn vader,’ hoor ik mezelf ineens zeggen.
    ‘Wat is er met je vader?’ vraagt Kate met zachte stem.
Ze is lief. Ze heeft al een glas water voor me gehaald en met een lauwwarm washandje mijn voorhoofd gedept. Zoals haar moeder dat waarschijnlijk bij haar heeft gedaan toen ze klein was. Genegenheid die ik niet ken. Uit deze gedachte ontspringt een nieuwe pijnbal die zich een weg naar boven baant. Met horten en stoten valt hij in stukken uit mijn mond. De geluiden die meekomen zijn even onverstaanbaar als onsmakelijk. Ik krimp in elkaar en wens zo onzichtbaar te zijn als ik zo vaak ben.

Kate heeft Emma en Vera gebeld. Ze zijn meteen gekomen en zitten nu ook in de slaapkamer. Hun meelijwekkende blikken geven mij het gevoel dat ik er bij hoor. Vera heeft op haar weg hiernaartoe een chocoladehart bij de bakker gehaald. Ik houd niet van chocolade, maar dat kan Vera niet weten.
    ‘Wie wil er een stukje?’ doorbreek ik de stilte.
    Met z’n drieën eten ze driekwart van het hart op. De bovenste bolling met het rode strikje laten ze liggen voor mij. Zo stel ik me mijn eigen hart voor, aangevreten en hol, de leegte en de zonde camouflerend.
    ‘Hoe?’ begint Emma. ‘Of wil je er niet over praten?’
    Natuurlijk wil ik er niet over praten, wat zou ik moeten zeggen? Ik verschuil me achter de veronderstelde schok en laat me in stilte troosten door hun aandacht.
    Emma is goed met woorden, op school schrijft zij de opstellen die ik had willen schrijven. Ze biedt aan om me te helpen met mijn speech. Emma wil mij helpen. Ik zie ons al zitten in de aula, samen, een surrealistisch beeld. Ik schud het van mijn netvlies.
    ‘Of een tekstje voor de advertentie? Of het rouwkaartje?’ Ze raakt kort mijn been aan, ik zwijg en ik knik.

Eigenlijk had ik er niet moeten zijn. Mijn moeder was 44 toen ze erachter kwam en ze waren net te laat om het weg te laten halen. Mijn broer was 10, mijn zus al 12. De poepluiers, het gekrijs, de slapeloze nachten, het was een gepasseerd station. Mijn komst zou mijn moeder dan ook niet tegenhouden om zich nu eindelijk op haar carrière te storten. Ik zag haar weinig, ik wist waar de pleisters lagen. Mijn vader was anders, van hem kreeg ik soms een aai over mijn wang, zo net onder het jukbeen. Ook hij was er niet vaak, maar als hij er was, keek hij naar mij. Die blikken – warm en gevoelig – bevestigden voor mij mijn bestaan.

‘Janne, kom eens.’ Ik vind mijn moeder in de keuken. Met een oortje in, staat ze aardappelen te schillen. Als ze er eentje kaal heeft, mikt ze die driftig in de pan waardoor het water hoog opspat.
    ‘Moet je hier eens kijken, staat jouw naam op.’ Ze knikt naar de eettafel waar een bont boeket bloemen staat te pronken. Het bloed stroomt naar mijn wangen, ik doe mijn jas uit en loop richting de tafel. Met trillende handen lees ik het kaartje. Lieve Janne, we denken aan je. Klas H2C.
    ‘Lief,’ zeg ik.
    ‘Zeker.’ Ze kijkt vluchtig om, fronst haar hoofd: ‘Heb je vrienden gemaakt?’
    ‘Ik denk het.’
    De telefoon gaat, ze doet het tweede oortje in. ‘Die moet ik even nemen hoor, de wethouder.’ 
    Voor het eerst in mijn leven, ben ik dankbaar voor haar carrièredrift, voor alle promoties en de bellers waar ze dag en nacht voor klaarstaat. Ik heb geen zin om te praten. Ik zwijg.

Kate staat bij het hek te wachten, fiets aan de hand. ‘Ga je mee?’
    ‘Waarheen ook alweer?’ zeg ik. Soms ben ik de tel even kwijt, weet ik niet meer precies wat ik nu gezegd en gezwegen heb.
    ‘Naar het water, die plek van je vader en jou.’
    ‘Ja, tuurlijk. Sorry, ik…’
    ‘Geeft niks, ik snap het. Je hebt zoveel aan je hoofd.’ Haar medeleven versterkt mijn falen. Buikpijn is nu al dagen mijn trouwste metgezel. We fietsen zij aan zij naar het verlaten strandje. Er staat iemand en heel even denk ik dat het mijn vader is. Hij is het niet en ik weet niet goed of ik daar nu opgelucht of teleurgesteld over moet zijn. We gaan zitten.
    ‘Kate,’ zeg ik.
    Ik staar naar de kabbelende golfjes, probeer kracht te putten uit hun kalmte. Mijn zorgen te laten wegebben op hun cadans. Kate kijkt me vragend aan.
    Ik schud mijn hoofd. ‘Het is niks.’

Na wat gehannes met de sleutel bij de voordeur, stap ik naar binnen. Alle haren op mijn lijf springen overeind bij de aanblik van mijn moeder die daar vlak voor me in de gang staat, wijdbeens, met haar handen in haar zij. ‘Meekomen,’ blaft ze. Bang voor de waarheid die me al dagen achtervolgt, loop ik achter haar aan richting keuken. Ze draait zich om en werpt me iets in het gezicht. De punt steekt in mijn oog, maar ik voel wel dat dit niet het moment is om daar moeilijk over te doen.
    ‘Wat is dit?’ Er spuwt vuur uit haar ogen. Ik buk en raap het kaartje op van de grond. Draai het om en zie een foto van mijn vader met de tekst die Emma me heeft helpen schrijven. Dan grijpt ze me hardhandig bij de arm. Sleurt me de gang door en beveelt me in de auto te gaan zitten. Naast haar op de bijrijdersstoel volgt de stortvloed aan terechtwijzingen, reprimandes, correcties die ik nooit heb gehad. Op een rare manier geniet ik ervan, omdat ze zich tot mij richt. Omdat iets wat met mij te maken heeft, haar raakt. Ik laat al haar woorden over normbesef, schaamte en misdaad langs me afglijden. Mijn onaanraakbaarheid doet haar bloed kolken, haar stem klinkt steeds luider. 
    Dan begint me plots te dagen waar we naartoe rijden, hoe zoet haar wraak is. Welke confrontatie ze me dwingt aan te gaan, de publieke schandpaal waar ze me aan wil nagelen. We komen boven op de tweede verdieping, hij zit in vergadering. Ze breekt in met de woorden: ‘Sorry dat we even storen, Jans dochter heeft iets interessants te melden.’ 
    Ze draait zich naar me om, tikt tegen het kaartje dat nog altijd tussen mijn vingers geklemd zit en maakt een handgebaar waarmee ze me joviaal het podium geeft. Met een kort knikje in mijn richting kondigt ze mijn biecht aan: ‘Janne.’

donderdag 10 juni 2021

De derde vinger vanaf de pink

Zijn vinger wijst naar de ander
priemt zonder aanraking
ruw tegen het voorhoofdsbeen.

Die ander heeft het gedaan
die is verantwoordelijk
voor alle pijn en ellende.

Voor de kras op zijn ziel
zijn zanderige knieën
en verscheurde ego.

Hem zelf treft geen blaam
hij heeft een goed verhaal
dat weet hij wel zeker.

Hij was nooit...  
hij zou echt nooit...  
als die ander hem niet.

Zijn vinger hangt nog in de lucht
heeft zijn kracht verloren nu.
Zie ik het goed? Zweeft hij? 

woensdag 19 mei 2021

Voor P.

Zoveel was me al snel duidelijk
dat ik er niet aan ontkomen zou
dat vluchten zou leiden 
tot levenslang gevangenschap
tot een zo mogelijk nog groter lijden.

Maar waar haalt een mens de moed vandaan?
om de pijn uit te zitten
de paniek te doorvoelen
het verlies in de ogen te kijken.

Dat is toch zoiets als
geheel vrijwillig
het oog van de tornado in stappen
zonder levenslijn.

Iedereen is bang voor die plek
turbulent, onstuimig en woest als zij is
even donker, koud als eenzaam
precair, schimmig, grillig.

Wie beweegt daar voortvarend naartoe?
Als het lot je zojuist genadeloos getroffen heeft
en alles waar je ooit in geloofde
onder je uit geschoffeld is.

Wie durft dan nog te vertrouwen? 
In de belofte
dat dit
straks
in retrospectief
de goede weg zal zijn. 

vrijdag 30 april 2021

Goedemorgen

Ik begin vandaag
Niet morgen, nee
Met zijn wie ik ben
Wie ik altijd al wilde worden
Wie ik was doet niet ter zake
Gisteren is geweest
Ik kijk niet achterom
Ik heb geen spijt
Niets goed te maken
Zo ben ik niet
Ooit geweest
Wie weet
Wie weet het nog?
Ik begin vandaag
Punt

vrijdag 2 april 2021

Verhaal van een vluchteling

'Hij lachte, dacht ik
Ja, ik weet bijna zeker dat hij lachte toen' 

Ik moet me alles kunnen herinneren
Mijn verhaal moet steeds hetzelfde zijn
Het moet kloppen
Anders geloven ze me niet

Dus schrijf ik alles op
Na ieder gesprek
In een schriftje

's Nachts word ik zwetend wakker
Omdat ik denk dat ik iets vergeten ben
Misschien
Ik twijfel aan mijn eigen geheugen
Dat scherp is, maar niet feilloos
Herinneringen zijn selectief
Maar de mijne mogen dat niet zijn

De tweede keer moet mijn verhaal
hetzelfde zijn als de eerste keer
Het moet kloppen
Ze blijven het me inwrijven

Dus schrijf ik alles op
Na ieder gesprek
In een schriftje

Ik moet me alles kunnen herinneren
Ik moet alles onthouden
Terwijl ik juist zo graag zou vergeten
Een beetje
Een klein beetje toch

maandag 22 maart 2021

Pittig

Hij had zijn best gedaan en dus zou zij het opeten.
    Terwijl de ziltige geur haar neus binnendrong, sprak Els zichzelf bemoedigend toe. De vis lag haar roerloos aan te staren vanaf haar bord. Een uitgehard stuk vel met kop en staart, de bek wijd opengesperd. Ze keek ernaar, het vel glansde opvallend mooi, dat wel. Maar daarmee was meteen alles gezegd. Verder leek het op een vacuüm getrokken plastic zak die het skelet van kraakbeen en graten bij elkaar hield als een onverwoestbare waterdichte jas.
    ‘Saus erbij?’ vroeg hij. De emaillen, geel geglazuurde pollepel bungelde al druppend boven haar bord.
    ‘Ja lekker,’ zei ze zonder twijfel in haar stem. Wat kon haar nu nog gebeuren? De saus zou haar helpen deze vis meester te maken en tegelijkertijd nog een geanimeerd gesprek te voeren ook. Ze had geen idee van de hoeveelheid rode pepers die haar zo dadelijk zou verrassen.
    Hij zette muziek op. Te luid, maar daar zei ze niets van. Het was zijn huis. Percussie, zwierige ritmes en een aangename zangstem vulden de ruimte.
    ‘Soedanese muziek,’ zei hij, ‘eigenlijk moeten wij dansen.’
    Els stamelde dat het jammer zou zijn als het eten koud werd en dus ging hij zitten en begon meteen te eten.
    ‘In Soedan wij praten niet tijdens het eten, hier is anders,’ zei hij met volle mond. Hij keek haar aan, net zolang tot Els op keek en zag hoe het been tussen zijn kiezen vermalen werd.
    Zelf was ze nog bezig met de verwerking van haar eerste hap. Ze probeerde te slikken, maar haar amandelen waren opgezwollen door de scherpte van de saus. Ze duwde haar tong stevig tegen haar gehemelte om de slikbeweging te stimuleren. Vers aangemaakt speeksel vermengde zich met het slijk in haar mond. Alles stond in vuur en vlam nu, haar gezicht werd roder. Camoufleren ging al bijna niet meer.

Toen ze haar ogen weer open deed, hingen er vijf bezorgde donkere gezichten boven haar hoofd. Een met een stethoscoop rond zijn nek. Ze krabbelde overeind. Tevreden constateerde ze dat de maaltijd verorberd was.
    'Ik ga maar eens op huis aan,' zei ze. 'Volgende keer bij mij?'

woensdag 3 maart 2021

Wat een feest zal het zijn!

Wat een feest zal het zijn, als wij straks dood zijn.

Hij is vijf en heeft grootse plannen.
'Dan ga ik voortaan altijd bubbels blazen, mama. In mijn drinken, met mijn rietje.'
'Dan eet ik iedere dag wel tien boterhammen met zoet.'
'Dan ga ik steeds lekker laat naar bed.'
'En ik neem speelgoed mee onder de deken.'
Dromerig kijkt hij naar boven met zijn hoofd tussen zijn knuistjes. Het verlangen sijpelt van zijn kleine gezichtje af.
 
Zijn zus van zeven zit erbij en is niet verbaasd, noch verontwaardigd. Ook zij heeft zo haar draaiboek.
Ze heeft zich gerealiseerd dat zij het huis erft.
'Dan ga ik hier wonen samen met Rosa en hebben we het hele huis voor onszelf alleen,' zegt ze opgetogen.
Haar broertje heeft net beloofd bij Fedde te gaan logeren als wij dood zijn, dus daar hoeft ze verder geen rekening meer mee te houden. 'Hij mag dan wel de tablet mee,' zegt ze vrijgevig. 
Van de bloembak maakt ze liever een zwembad en vanuit haar slaapkamerraam een glijbaan naar beneden.

Wat een feest zal het zijn!

vrijdag 26 februari 2021

Beproeving

Het bestelbusje glibberde rond half 11 's ochtends mijn straat in over de aangevroren hompen sneeuw. De postmeneer stapte uit, viel op zijn stuitje, mompelde iets onaardigs en stond weer op. Met rode neus zocht hij mijn pakket en liep richting voordeur. Ik liet hem aanbellen, deed open alsof ik het hele schouwspel gemist had en nam het pakket gretig in ontvangst. Omdat ik niks besteld had, informeerde ik van wie het pakket kwam. Dat wist de postmeneer me niet te vertellen. Hij keek me aan alsof ik hem dood wilde: "Ak dah d'r ook nog ammel bij moes doen mevrouw, dan kennuh ze beter iemand vroagen met HBO-niveau, denk ik." Hij draaide zich om terwijl ik beschaamd op de drempel bleef staan.

Vijf dagen staat het pakket nu in mijn huiskamer. 
Een grote doos. Wit. Zonder logo, zonder tekst en zonder afzender. 
Alleen mijn naam en adres. Drukwerk, niets handgeschreven.

Als ik ermee rammel, hoor ik de spullen die erin zitten tegen elkaar botsen. Het geeft een grappig geluid. Ik schud er nu al een paar dagen mee, maar ben er nog niet uit wat het kan zijn. Het klinkt als een playmobilset voor volwassenen: klein kantoortje met PC, koffiemokje erbij, vluchtelingpoppetje? Of misschien een tafereeltje wintersport zonder kinderen, met glühwein en een goed boek? Het pakket lijkt me alleen wat zwaar voor die inhoud. 

Ik weeg mijn pakje, ruim 8 kilo. Een bouwpakket dan? Met een minisauna, voor alleen mijn koude voeten? Of een miniatuur robot die het huis in 1 minuut kan stofzuigen?

Mijn verbeelding maakt overuren. 

Ik zou dit pakje nooit uit willen pakken. Het mee naar bed willen nemen om te kijken of het licht geeft 's nachts. Of zou het gaan stinken na een tijdje? Ik ruik, voorlopig niks aan de hand. 

Al dagen aaneen geniet ik van het fijne gevoel van het niet-weten. Tot het moment dat de bel gaat en diezelfde postmeneer voor mijn neus staat. Het weer is opgeklaard en de neus heeft zijn normale kleur terug.
    'Ik kom dah pakje halen,' zegt hij.
    'Het pakje?' stamel ik.
    'Joa, ik heb toch een pakje gebrach hier loatst?'
    'Had ik dat open moeten maken dan?' vraag ik enigszins paniekerig.
    'Wit ik veul, maar nu ist te loat, of nie dan?'
    'Is dat zo?' probeer ik nog.
    'Da denk ja.'
Ik strompel naar de huiskamer, waar mijn pakket als een trofee in het zonnetje staat te pronken. Ik geef er zacht een kus op en loop ermee naar de postmeneer.
    'Dankuwel,' zeg ik.
    Hij steekt zijn grote hand in de lucht, 'houdoe!' 
 
Hij keert zijn bus op mijn oprit en rijdt weg. Ik weet niet of ik teleurgesteld of blij moet zijn. Verdrietig omdat ik mezelf mogelijk warme voeten door de neus heb geboord of tevreden omdat er een leven lang fantaseren in het verschiet ligt.

dinsdag 23 februari 2021

Met liefdesverdriet in de kast

Ooit was ik je lieveling
Ooit droeg jij mij vaak en veel en met gepaste trots
Je kreeg complimenten over mij
En droeg mij nog vaker
Je keek in de spiegel naar mij
En gaf me je goedkeuring
Je droeg mij naar je meest bijzondere gelegenheden
En liet me je sieren 

Nu hang ik daar maar en
Vraag me af waar het mis ging?
Wat er veranderd is?
Wat ik verkeerd heb gedaan?
Het is jaren geleden
Dat ik je huid heb gevoeld
Je aandacht kon trekken
Me begeerd voelde door jou

Ik mis je
Maar
Mis jij mij ook?

dinsdag 9 februari 2021

Stapelgedicht

De verliefde zebra
Kijkt kunst
Voor een echt succesvol leven