vrijdag 17 september 2021

Uitgekafferd bij de bakker

Ik wilde eigenlijk zes broden, maar nam er vier. De rij werd langer en ik voelde me bezwaard. Bij het bestellen van nog twee croissantjes durfde ik de dame achter de balie al niet meer aan te kijken. Met grote passen had ze rondgelopen om mijn bestelling bij elkaar te scharrelen en deze in een moordend tempo in sneetjes te snijden. Iedere paar seconden had ze me eerst aangekeken om daarna haar ogen over de steeds langer wordende rij te laten glijden. 

De mensen stonden rustig te wachten, snoven de heerlijke geur van het verse brood nog eens op en genoten van de stilte zonder de kinderen die ze zojuist de school in hadden gezwaaid. Er was nog een collega, die hield zich bezig met het verplaatsen van dingen en had derhalve geen tijd om klanten te helpen. Maar ach, het was vrijdagmorgen, het weekend stond voor de deur, waar zouden we ons druk om maken.

Het afrekenen begon. Ik vroeg of ik de broden vast in de tas kon doen, een poging om constructief mee te denken. Des te sneller zou ik weer weg zijn. Ze keek me vinnig aan, schudde wild haar hoofd. 'Als ik het aangeslagen heb, kunt u het in uw tas doen. Zo werkt dat he?' Ik kon niet zien wanneer ze wat aansloeg. Om mezelf toch nuttig te maken, haalde ik dan maar vast mijn Piggy-pas te voorschijn. Een spaarsysteem om als bedrijf de loyaliteit met je klanten te versterken. Het apparaat sprong aan en ik hield mijn pas ervoor. 'Nee!' schreeuwde de dame van de bakkerij, waarop de rij achter mij een sierlijke wave maakte. 'Dat ding weet toch nog niet hoeveel u moet betalen!' Haar blik was scherp als de messen in haar broodsnijmachine. 'Sorry,' stamelde ik. 'Ik wist niet...' Mijn reactie herinnerde haar aan haar taak van klantvriendelijkheid. Ze herpakte zich: 'dan weet u dat voor de volgende keer.'

'€14,60 graag.'

'Alstublieft'

'Dankuwel'

Een harde werker, zonder meer. 

vrijdag 6 augustus 2021

Non, je ne regrette rien

Houd nergens aan vast
weet niks absoluut zeker
blijf niet hangen
heb geen spijt
geef niet op
ga niet terug
en kijk niet om

laat los
leg terzijde
zing uit en

Houd vol
houd stand
pak aan
grijp die kans
beur op
bijt door
en ga ervoor

vrijdag 23 juli 2021

Held van deze dag

Vóór Peter
kwam en ging eerst Juriaan, de hulpvaardige student
kwamen en gingen Jesse en zijn oma: 'hij is altijd zo handig'
en kwam en ging de man met de hond 
(die weer weg moest van mijn dochter)
maar Peter
die kwam 
en die ging niet meer.

De kwestie die voorlag: Twee fietsen, vastgeketend aan elkaar en aan het hek. Twee kinderen, moegestreden na een middagje picknicken, rennen en zwemmen. Eén moeder, die haar fietssleutel ziet verdwijnen tussen de gleuven van een massief, stalen bankje. Met z'n drieën liggen we er plat bovenop te kijken, door het kijkgat van onze kluis. 

We zoeken stokken en zonder enige hoop op resultaat, ga ik prutsen. Voorzichtig tracht ik het ringetje aan de stok te rijgen en naar boven te wippen. Mensen schieten te hulp en geven weer op. En dan staat daar die vrolijke mens met zijn zomerstrohoed en bijpassende gele blouse. Zijn opgewekte lach verraadt zijn enthousiasme over de tegenwind die ons getroffen heeft. De rafels aan de zijkant van zijn witte broek wapperen vrolijk mee.

We spelen samen het spel
als bij een grijpautomaat op de kermis
het lijkt zo makkelijk maar
het lukt steeds nét niet
nog een geluk dat niet iedere poging ons een euro kost.
 
'Nee, dat gaat niet,' Peter fronst en ik vermoed dat dit het einde is van zijn ijver, maar ik heb het mis. Peter daalt de lange trap af richting Spiegelwaal. 'Daar staat nog een oude fiets.' Hij komt terug met twee spaken. Drie kwartier zijn we samen bezig, Peter en ik. Als twee gekwelde gokverslaafden.

Mijn zoon moedigt hem aan: 'Als het lukt, ben je de held van deze dag.' 
Waarop Peter zegt dat het puur egoïsme is
maar dat is het niet
het is lief
en ridderlijk
en attent
en charmant
en ik maak een diepe buiging 
voor Peter en zijn heldendaad. 

dinsdag 20 juli 2021

Pitje, Witje, Watje en Stip

In beide boeken die ik lees, gaat het op exact hetzelfde moment over een hamster die op tragische wijze aan zijn eind komt. Even denk ik dat ik moet stoppen met synchroon boeken lezen, dat ik er te oud voor word. Tot zover de meevaller.  

De hamster in boek 1 heet Archibalt en zijn elfjarige baasje denkt dat hij verhongerd is door haar afwezigheid. Tiesje is de hamster in boek 2, die door de broer van de hoofdpersoon wordt vermoord in een glas water en zij deed niks, zij lachte alleen.

Mijn eigen hamsterervaringen getuigen niet van veel meer barmhartigheid. Eerst was daar Pitje, toen Witje, toen Watje. Ze hebben allemaal niet lang geleefd. Mijn broer, zus en ik wilden dolgraag een huisdier, maar vanaf het moment dat de eerste hamster daadwerkelijk met zijn kraaloogjes de huiskamer in staarde, hadden we er toch maar bar weinig interesse in. Vermoedelijke doodsoorzaak van het pluizige drietal: gebrek aan aandacht. Zozeer zelfs dat we Pitje levend begraven hebben. Per ongeluk, dat wel. Nadat iemand ons vertelde dat hamstertjes een koud balletje worden als ze hun winterslaap houden, hebben we hem direct opgegraven. Eenmaal op de verwarming opende Pitje weer vrolijk de oogjes.

Na Watje was het klaar. Het mocht niet meer. Reden temeer om in het diepste geheim een nieuwe hamster te verwelkomen. Stip kreeg een stuk meer aandacht dan Pitje, Witje en Watje bij elkaar. In de schuur hadden mijn broer en ik zelf een hok voor Stip getimmerd, dat goed verstopt zat achter een van de levensgrote schilderijen op zijn kamer. Zodra we thuis van school waren, mocht Stip uit zijn schuilplaats en speelden we met hem, tot mijn broer allergisch bleek. De huisarts kon maar niet begrijpen dat wij geen huisdier hadden. 'Misschien de hond van mijn vriend Danny?' opperde mijn broer met een klein straaltje zweet op zijn pezige jongensrug. Stip verhuisde naar mijn kamer. Het schilderij kon niet zonder meer mee, daarom kreeg het pluizenbolletje een plek in de kast onder mijn bureau. Hij maakte vreselijk veel lawaai, vooral in de nacht als ik wilde slapen. Zoete wraak of zijn natuur? Hoe dan ook, Stip is kort na die verhuizing overleden. 

Pas nu ik lees over de schuldgevoelens van andere baasjes, komt de zelfreflectie. Rijkelijk laat, en daarbij kan ik alleen maar hopen dat hij echt dood was, onze Stip, toen mijn broer en ik hem begroeven in een sigarenkistje in een holletje in onze achtertuin. 

woensdag 30 juni 2021

Ooggetuige

Soms weet ik het zelf niet meer
Of ik nog een mens ben
Dan ben ik in de war
Door wat ik hoor over mij
Over wie ik ben
In andermans ogen
 
Ik herken mijzelf niet meer
In wat anderen zien
Wat anderen zeggen
Over mij
 
De twijfel slaat toe
Misschien zie ik het niet goed?
Het zou de eerste keer niet zijn

Ik zou zo graag
Ook eens een kijkje nemen
Door die ogen  
Een beeld vormen van mij
En de vraag stellen
Of  het klopt
Want
Zien zij mij
Zien zij mij werkelijk
Met hun ogen?
 
Ik zou zo graag
Tot hun verbeelding spreken
Vertellen
Wie ik nog meer ben
Kan zijn

Sta mij toe
Mijzelf voor te stellen
Laat mij 
Die ogen toespreken  
Over alles 
Wat ze niet zien

zondag 20 juni 2021

Vaderdag

Mijn zoon van vijf ontvoert de pop van zijn zus en geeft haar een nieuwe naam: Annabel. Dit moet bevestigen dat het zijn kind is vandaag. Nadat hij haar een schone luier heeft gegeven (nooit de deur uit zonder een schone broek), legt hij Annabel teder in het rode rieten poppenwagentje waar oma destijds nog een nieuwe stoffen kap voor heeft gemaakt. Het opvouwbare kapje wordt liefdevol omhoog geschoven en vastgezet, zodat de zon niet in het kleine poppengezichtje zal schijnen.

In zijn blauw-witte haaienpyjama trekt hij naar buiten om wat rond te scharrelen op de pleintjes voor ons huis. Een wildvreemde vrouw fietst langs en wordt tot stilstand gemaand. Of ze even naar zijn kindje wil kijken. De vrouw kan niet anders dan over haar stuur in de poppenwagen turen en iets liefs zeggen. 'Ik ben de papa,' vertelt mijn zoon. 'Ze kan ook plassen als ze gedronken heeft.' Of de vrouw dat misschien ook nog even wil zien. Ja? Hij is al bezig. Hij legt Annabel op de straatstenen, lomper nu, zich bewust van de tijdsdruk. Het flesje wordt vlotjes in haar mond leeg gedrukt en al snel zit Annabel kletterend op het potje.

Mijn zoon kijkt de vrouw trots aan. 'Ze heeft alleen nog niets geknutseld,' zegt hij.

dinsdag 15 juni 2021

Kort verhaal (voor wie zin heeft in iets langers)

Al drieëndertig minuten heb ik niks gezegd. Ik heb het geprobeerd, maar de zinnen willen zich niet vormen in mijn hoofd. Hoe leg je iets uit wat je zelf niet eens begrijpt? Kate, mijn enige vriendin, zit al die tijd al met een arm om me heen. Soms wrijft ze even over mijn rug en moedigt ze me zacht aan: ‘Zeg het maar Janne, wat het ook is.’ Mijn ogen voelen opgezet en schraal aan, in mijn keel heeft zich een cactus genesteld.
    Voorzichtig kijk ik vanuit mijn ooghoeken naar Kate, zo zelfzeker als ze daar naast me zit. Vastbesloten om er voor mij te zijn, geen zweem van ongemak. Ik ben het tegenovergestelde van Kate. Als ik haar zie lachen, besef ik hoe lelijk ik ben. Ik benijd haar, haar flair, haar schoonheid, haar natuurlijke vlotheid, zoals ze teder de natte haren uit mijn gezicht veegt.
    ‘Mijn vader,’ hoor ik mezelf ineens zeggen.
    ‘Wat is er met je vader?’ vraagt Kate met zachte stem.
Ze is lief. Ze heeft al een glas water voor me gehaald en met een lauwwarm washandje mijn voorhoofd gedept. Zoals haar moeder dat waarschijnlijk bij haar heeft gedaan toen ze klein was. Genegenheid die ik niet ken. Uit deze gedachte ontspringt een nieuwe pijnbal die zich een weg naar boven baant. Met horten en stoten valt hij in stukken uit mijn mond. De geluiden die meekomen zijn even onverstaanbaar als onsmakelijk. Ik krimp in elkaar en wens zo onzichtbaar te zijn als ik zo vaak ben.

Kate heeft Emma en Vera gebeld. Ze zijn meteen gekomen en zitten nu ook in de slaapkamer. Hun meelijwekkende blikken geven mij het gevoel dat ik er bij hoor. Vera heeft op haar weg hiernaartoe een chocoladehart bij de bakker gehaald. Ik houd niet van chocolade, maar dat kan Vera niet weten.
    ‘Wie wil er een stukje?’ doorbreek ik de stilte.
    Met z’n drieën eten ze driekwart van het hart op. De bovenste bolling met het rode strikje laten ze liggen voor mij. Zo stel ik me mijn eigen hart voor, aangevreten en hol, de leegte en de zonde camouflerend.
    ‘Hoe?’ begint Emma. ‘Of wil je er niet over praten?’
    Natuurlijk wil ik er niet over praten, wat zou ik moeten zeggen? Ik verschuil me achter de veronderstelde schok en laat me in stilte troosten door hun aandacht.
    Emma is goed met woorden, op school schrijft zij de opstellen die ik had willen schrijven. Ze biedt aan om me te helpen met mijn speech. Emma wil mij helpen. Ik zie ons al zitten in de aula, samen, een surrealistisch beeld. Ik schud het van mijn netvlies.
    ‘Of een tekstje voor de advertentie? Of het rouwkaartje?’ Ze raakt kort mijn been aan, ik zwijg en ik knik.

Eigenlijk had ik er niet moeten zijn. Mijn moeder was 44 toen ze erachter kwam en ze waren net te laat om het weg te laten halen. Mijn broer was 10, mijn zus al 12. De poepluiers, het gekrijs, de slapeloze nachten, het was een gepasseerd station. Mijn komst zou mijn moeder dan ook niet tegenhouden om zich nu eindelijk op haar carrière te storten. Ik zag haar weinig, ik wist waar de pleisters lagen. Mijn vader was anders, van hem kreeg ik soms een aai over mijn wang, zo net onder het jukbeen. Ook hij was er niet vaak, maar als hij er was, keek hij naar mij. Die blikken – warm en gevoelig – bevestigden voor mij mijn bestaan.

‘Janne, kom eens.’ Ik vind mijn moeder in de keuken. Met een oortje in, staat ze aardappelen te schillen. Als ze er eentje kaal heeft, mikt ze die driftig in de pan waardoor het water hoog opspat.
    ‘Moet je hier eens kijken, staat jouw naam op.’ Ze knikt naar de eettafel waar een bont boeket bloemen staat te pronken. Het bloed stroomt naar mijn wangen, ik doe mijn jas uit en loop richting de tafel. Met trillende handen lees ik het kaartje. Lieve Janne, we denken aan je. Klas H2C.
    ‘Lief,’ zeg ik.
    ‘Zeker.’ Ze kijkt vluchtig om, fronst haar hoofd: ‘Heb je vrienden gemaakt?’
    ‘Ik denk het.’
    De telefoon gaat, ze doet het tweede oortje in. ‘Die moet ik even nemen hoor, de wethouder.’ 
    Voor het eerst in mijn leven, ben ik dankbaar voor haar carrièredrift, voor alle promoties en de bellers waar ze dag en nacht voor klaarstaat. Ik heb geen zin om te praten. Ik zwijg.

Kate staat bij het hek te wachten, fiets aan de hand. ‘Ga je mee?’
    ‘Waarheen ook alweer?’ zeg ik. Soms ben ik de tel even kwijt, weet ik niet meer precies wat ik nu gezegd en gezwegen heb.
    ‘Naar het water, die plek van je vader en jou.’
    ‘Ja, tuurlijk. Sorry, ik…’
    ‘Geeft niks, ik snap het. Je hebt zoveel aan je hoofd.’ Haar medeleven versterkt mijn falen. Buikpijn is nu al dagen mijn trouwste metgezel. We fietsen zij aan zij naar het verlaten strandje. Er staat iemand en heel even denk ik dat het mijn vader is. Hij is het niet en ik weet niet goed of ik daar nu opgelucht of teleurgesteld over moet zijn. We gaan zitten.
    ‘Kate,’ zeg ik.
    Ik staar naar de kabbelende golfjes, probeer kracht te putten uit hun kalmte. Mijn zorgen te laten wegebben op hun cadans. Kate kijkt me vragend aan.
    Ik schud mijn hoofd. ‘Het is niks.’

Na wat gehannes met de sleutel bij de voordeur, stap ik naar binnen. Alle haren op mijn lijf springen overeind bij de aanblik van mijn moeder die daar vlak voor me in de gang staat, wijdbeens, met haar handen in haar zij. ‘Meekomen,’ blaft ze. Bang voor de waarheid die me al dagen achtervolgt, loop ik achter haar aan richting keuken. Ze draait zich om en werpt me iets in het gezicht. De punt steekt in mijn oog, maar ik voel wel dat dit niet het moment is om daar moeilijk over te doen.
    ‘Wat is dit?’ Er spuwt vuur uit haar ogen. Ik buk en raap het kaartje op van de grond. Draai het om en zie een foto van mijn vader met de tekst die Emma me heeft helpen schrijven. Dan grijpt ze me hardhandig bij de arm. Sleurt me de gang door en beveelt me in de auto te gaan zitten. Naast haar op de bijrijdersstoel volgt de stortvloed aan terechtwijzingen, reprimandes, correcties die ik nooit heb gehad. Op een rare manier geniet ik ervan, omdat ze zich tot mij richt. Omdat iets wat met mij te maken heeft, haar raakt. Ik laat al haar woorden over normbesef, schaamte en misdaad langs me afglijden. Mijn onaanraakbaarheid doet haar bloed kolken, haar stem klinkt steeds luider. 
    Dan begint me plots te dagen waar we naartoe rijden, hoe zoet haar wraak is. Welke confrontatie ze me dwingt aan te gaan, de publieke schandpaal waar ze me aan wil nagelen. We komen boven op de tweede verdieping, hij zit in vergadering. Ze breekt in met de woorden: ‘Sorry dat we even storen, Jans dochter heeft iets interessants te melden.’ 
    Ze draait zich naar me om, tikt tegen het kaartje dat nog altijd tussen mijn vingers geklemd zit en maakt een handgebaar waarmee ze me joviaal het podium geeft. Met een kort knikje in mijn richting kondigt ze mijn biecht aan: ‘Janne.’

donderdag 10 juni 2021

De derde vinger vanaf de pink

Zijn vinger wijst naar de ander
priemt zonder aanraking
ruw tegen het voorhoofdsbeen.

Die ander heeft het gedaan
die is verantwoordelijk
voor alle pijn en ellende.

Voor de kras op zijn ziel
zijn zanderige knieën
en verscheurde ego.

Hem zelf treft geen blaam
hij heeft een goed verhaal
dat weet hij wel zeker.

Hij was nooit...  
hij zou echt nooit...  
als die ander hem niet.

Zijn vinger hangt nog in de lucht
heeft zijn kracht verloren nu.
Zie ik het goed? Zweeft hij? 

woensdag 19 mei 2021

Voor P.

Zoveel was me al snel duidelijk
dat ik er niet aan ontkomen zou
dat vluchten zou leiden 
tot levenslang gevangenschap
tot een zo mogelijk nog groter lijden.

Maar waar haalt een mens de moed vandaan?
om de pijn uit te zitten
de paniek te doorvoelen
het verlies in de ogen te kijken.

Dat is toch zoiets als
geheel vrijwillig
het oog van de tornado in stappen
zonder levenslijn.

Iedereen is bang voor die plek
turbulent, onstuimig en woest als zij is
even donker, koud als eenzaam
precair, schimmig, grillig.

Wie beweegt daar voortvarend naartoe?
Als het lot je zojuist genadeloos getroffen heeft
en alles waar je ooit in geloofde
onder je uit geschoffeld is.

Wie durft dan nog te vertrouwen? 
In de belofte
dat dit
straks
in retrospectief
de goede weg zal zijn. 

vrijdag 30 april 2021

Goedemorgen

Ik begin vandaag
Niet morgen, nee
Met zijn wie ik ben
Wie ik altijd al wilde worden
Wie ik was doet niet ter zake
Gisteren is geweest
Ik kijk niet achterom
Ik heb geen spijt
Niets goed te maken
Zo ben ik niet
Ooit geweest
Wie weet
Wie weet het nog?
Ik begin vandaag
Punt